Op grond van de wet zijn ex-partners na echtscheiding of partnerschapscheiding verplicht om elkaar in onderhoud te voorzien indien daar behoefte aan is. Dit houdt in dat de ene partner doorgaans partneralimentatie aan de andere partner moet betalen. De maximale termijn waarover partneralimentatie betaald moet worden, bedraagt twaalf jaar.

Een aantal politieke partijen, waaronder de VVD, D66, PvdA en PVV, is van mening dat de termijn van twaalf jaar niet meer geheel in lijn is met de ontwikkelingen in de samenleving. Reden waarom deze partijen hebben gewerkt aan wetsvoorstellen die de wettelijke maximumduur van partneralimentatie verkorten van twaalf jaar naar vijf jaar. De alimentatiegerechtigde moet – naar oordeel van deze partijen – in staat worden geacht om gedurende vijf jaar een opleiding te volgen of parttime te werken, zodat na het verstrijken van deze termijn in het eigen levensonderhoud moet kunnen worden voorzien.

Op 22 april 2014 heeft de Tweede Kamer het initiatiefvoorstel van Kamerlid de heer Bontes (ex-PVV en sinds april 2014 Groep Bontes/Klaveren), dat beoogde de duur van partneralimentatie te verkorten van twaalf naar vijf jaar, verworpen. Veel fracties hadden hun twijfels bij het voorstel. Zo zou het voorstel niet-werkende ouderen uit langdurige traditionele huwelijken, waarbij (kort gezegd) de man werkt en de vrouw voor de kinderen zorgt, onevenredig treffen. De Tweede Kamer blijft de achtergrond van het wetsvoorstel wel steunen en is van mening dat de alimentatieduur moet worden verkort. Het zal echter nog wel even duren voordat de ideeën van de politieke partijen wet zullen zijn. Hoe hiermee om te gaan in de tussenliggende periode?

Een recente uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden leert ons dat het hof mogelijk aan het vooruit lopen is op een eventuele aanpassing in de wet. Het gerechtshof heeft namelijk geoordeeld dat er ook thans sprake kan zijn van een situatie op grond waarvan de verplichting tot het betalen van partneralimentatie kan ophouden voordat in beginsel de thans geldende termijn is verstreken.

In deze zaak waren de man en de vrouw op gevorderde leeftijd met elkaar een geregistreerd partnerschap aangegaan. De man was gepensioneerd en de vrouw was op het moment van het aangaan van het geregistreerd partnerschap 55 jaar. Het inkomen van de vrouw voorafgaand aan het geregistreerd partnerschap was nagenoeg gelijk aan het eigen inkomen van de vrouw na beëindiging van het geregistreerd partnerschap. Tijdens het geregistreerd partnerschap hebben beide partijen hun zelfstandige levensstijl, zoals zij die invulden vóór het geregistreerd partnerschap, zoveel mogelijk gehandhaafd. Wel was de levensstandaard/welstand waarin de vrouw tijdens het geregistreerd partnerschap met de man, voor de duur van ruim negen jaar, heeft verkeerd hoger dan de levensstandaard die de vrouw gewend was vóór het aangaan van het geregistreerd partnerschap met de man. Onder de gegeven omstandigheden is het gerechtshof ervan uit gegaan dat de vrouw geen financieel nadeel heeft ondervonden van het geregistreerd partnerschap dan wel dat haar vermogen om in haar eigen levensonderhoud anderszins negatief is beïnvloed.

Gelet op het voorgaande, de leeftijd van partijen, de duur van het geregistreerd partnerschap, de omstandigheid dat de vrouw eigen middelen van bestaan had en heeft en met name de omstandigheid dat het geregistreerd partnerschap van partijen in dit geval voor de vrouw – anders dan in geval een vrouw in de mogelijkheden om in haar eigen levensonderhoud te voorzien door het aangaan van een huwelijk of geregistreerd partnerschap wordt beperkt – geen nadeel heeft opgeleverd, maar juist heeft geleid tot behoefteverhoging, heeft het gerechtshof het redelijk geacht dat van de vrouw kan worden gevergd dat zij op redelijke termijn weer aan een levensstandaard gaat wennen die zij gewend was van vóór het geregistreerd partnerschap. Het gerechtshof achtte het niet redelijk om in dit geval van de man te vergen dat hij voor de termijn van twaalf jaar de levensstandaard naar draagkracht aanvult tot het niveau van het geregistreerd partnerschap van partijen. Het gerechtshof vond een afbouw van de partneralimentatie in een periode van vijf jaar redelijk.

Kortom, ook nu het wetsvoorstel nog even op zich laat wachten, is het aan de orde stellen van een verkorting van partneralimentatie onder omstandigheden mogelijk. Indien u hierover nadere informatie wenst te ontvangen, kunt u contact opnemen met de heer mr. Th.C.J. Kaandorp.

CKH Advocaten
4.7
Gebaseerd op 29 beoordelingen
powered by Google
js_loader

Meer informatie?

Heeft advies of meer informatie nodig over dit onderwerp? Neem dan gerust en vrijblijvend contact op met CKH Advocaten.

Neem contact op

Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.