Zelfstandige of toch niet?

 

Met de introductie van de Wet deregulering beoordeling arbeidsrelatie (DBA) zou er meer duidelijkheid komen over de regelgeving van de arbeidsrelatie tussen zpp’ers en opdrachtgevers, maar niets is minder waar. Zo bewijst een recente uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam, waarin de kwalificatie van deze arbeidsrelatie centraal heeft gestaan met grote (financiële) gevolgen voor de betrokken partijen.

Werknemer of opdrachtnemer
In het kort ging het over de vraag of een maaltijdbezorger gezien moet worden als een werknemer of een opdrachtnemer. Een relevante vraag, want een werknemer geniet ten opzichte van een opdrachtnemer meer bescherming. Te denken valt aan zekerheid op loon tijdens ziekte, verschillende vakantierechten, vangnetconstructie bij ontslag door middel van een WW-uitkering, vergaande bescherming bij beëindiging arbeidsrelatie etc. Een opdrachtnemer loopt daarentegen in het kader van ondernemerschap veel meer risico en heeft minder zekerheid.

Kwalificatie arbeidsrelatie
Voor de kwalificatie van de arbeidsrelatie dient rekening te worden gehouden met de volgende elementen: (I) in dienst, (II) loon, (III) gedurende zekere tijd en (IV) arbeid. Bij dit alles wordt gekeken naar de rechten en plichten die partijen zijn overeengekomen, met dien verstande dat de partijbedoeling geen rol (meer) speelt.

Interessant (aan deze uitspraak) is de beoordeling van de vraag in hoeverre een maaltijdbezorger, maar misschien geldt dit wel voor veel meer bezorgers, gezien kan worden als een ondernemer. Het Gerechtshof Amsterdam meent in deze specifieke zaak in ieder geval van niet. Zo heeft het Gerechtshof vastgesteld dat de bezorgers niet hun eigen tarieven konden bepalen, 2/3 van de bezorgers zich als hobbymatig richting de fiscus hadden geadministreerd en er op geen enkele wijze is gebleken dat de bezorgers zich in de praktijk als ondernemer gedroegen. Met name naar de betrokken restaurants en klanten toe, is er dus (naar mening van het Gerechtshof) geen blijk gegeven van enig ondernemerschap.

Bij deze uitleg van en de beoordeling door het Gerechtshof, kunnen de nodige vraagtekens worden gezet. Is het (enkel) ontbreken van het zogenaamde ondernemerschap bepalend voor de kwalificatie van een arbeidsovereenkomst? Zekerheid is (nog) niet te geven en spelen er naar mijn mening (veel) meer omstandigheden een rol bij de kwalificatie. De verwachting is dat er cassatie wordt ingesteld, dus is het wachten op de eindbeslissing en komt er hopelijk (eindelijk) meer duidelijkheid over de regelgeving van de arbeidsrelatie tussen zpp’ers en opdrachtgevers.

Conclusie
Los van het feit dat de zaak van de maaltijdbezorger zeer specifiek is, geeft deze zaak wel goed weer dat er met een kritische blik wordt gekeken naar de uitvoering van en de verhouding tussen alle betrokken partijen. Er lijkt (mede of misschien wel met name) aandacht besteed te worden aan de term ‘ondernemerschap’ en in hoeverre daar uitvoering aan is gegeven. Advies is dan ook om dit duidelijk in een overeenkomst van opdracht te laten terugkomen.

Wilt u meer advies over dit onderwerp? Neemt u dan vrijblijvend contact op met mr. J.W.L. Vader, advocaat arbeidsrecht. De heer mr. J.W.L. Vader is bereikbaar via telefoonnummer 072 – 511 40 32 (keuzeoptie 5) of per e-mail: vader@ckh-advocaten.nl.

 

CKH Advocaten
4.7
Gebaseerd op 29 beoordelingen
powered by Google
js_loader

Meer informatie?

Heeft advies of meer informatie nodig over dit onderwerp? Neem dan gerust en vrijblijvend contact op met CKH Advocaten.

Neem contact op

Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.